|
I
home
I
reisverhalen
I
congo
I
matonge
I
memisa
I
helpende handen
I
flandrien
I
literatuur
I
links
I
contact |
Slierten België
De hitte dampt boven de savanne. Mijn metgezel Daan wordt het wat te heet
onder de voeten. Hij keert terug richting thuisland. Soms komen er uit die
hitte slierten België naar boven drijven. In de vorm van T-shirts
bijvoorbeeld. ‘Lierse kampioen!’ Lees ik. Ook voor allerhande Scouts- en
Chirofuiven uit de jaren negentig wordt in Senegal nog duchtig reclame
gemaakt. Een dame van achtbare leeftijd draagt er ééntje met in koeien van
letters: ‘Vind je mij lekker?’. Een vraag die ik wijselijk onbeantwoord
laat. Verder wordt textiel met publiciteit voor dakwerken blijkbaar gretig
meegegeven met spullenhulp. Die dingen komen op de één of andere manier toch
terecht blijkbaar.
Grote borden maken gewag van drinkwaterprojecten, met steun van de Belgische
overheid. De ngo Trias levert goedkope leningen (microkrediet) en knowhow
voor degenen die met een eigen zaakje willen beginnen. ‘Je moet de mensen
geen vis geven, maar ze leren vissen’ luidt het devies.
En dan zijn er de ontelbare auto’s met grote groene stickers www.belgomalienne.be
Er staan een adres in Antwerpen (Beschavingstraat) en de Liverpoolstraat in
Brussel op vermeld. Het toeval wil dat ik die laatste ken. Ze bevind zich in
de wat grauwe kanaalzone van onze hoofdstad. Loodsen staan er zij aan zij
-
leunend op elkaars bouwvalligheid, allen gevuld met auto’s van bedenkelijke
kwaliteit. In de straat is het steevast een komen en gaan van opleggers,
gevuld met tweedehands wagens. Druks gesticulerend berdrijven Afrikanen er
hun handel. Ook als particulier kan je er terecht. Vaak komen mensen
rechtstreeks van de keuring. Voor hun definitief afgekeurde vehikel krijgen
ze hier nog een habbekrats. Dat is hoe dan ook beter dan de wagen achter te
laten in de garage en nog een opruimvergoeding te moeten ophoesten. Al dat
afgedankt schroom wordt en masse, via de Antwerpse haven, naar de Westkust
van Afrika getransporteerd. Daar krijgen onze afdankertjes nog een derde,
vierde of zelfs vijfde leven. De vierwielers worden hier gebruikt tot ze
letterlijk uit elkaar vallen. Een vast straatbeeld, elke dag opnieuw, zijn
dan ook auto’s en busjes met panne. Naarstig wordt gesleuteld en gezweet
onder de motorkap. De oplossing is steeds voorlopig, het is gewoon wachten
op het volgende euvel…
Op een goede avond stop ik in een afgelegen dorpje (Ganguin) om er de nacht
door te brengen. De weg ernaartoe was hels, eigenlijk een slechte, stoffige
veldweg, bezaaid met rotsen. Buiten voor stevige motoren en dwaze fietsers
is het gehucht afgesneden van de buitenwereld. Elektriciteit, laat staan
televisie, is er niet. Als ik wat sta uit te hijgen, roept er iemand:
‘Quelle nationalité?’ ‘Ah Belg, Vlaming of Waal?’ En zijn die problemen met
de regering nu nog niet opgelost?’ Verbijsterd kijk ik de man aan, straf
toch.
terug
|