|
I
home
I
reisverhalen
I
congo
I
matonge
I
memisa
I
helpende handen
I
flandrien
I
literatuur
I
links
I
contact |
La Bataille du Col de la Pierre Saint Martin
Na
enkele dagen uitrusten in de schaduw van de Pyreneeën wordt het tijd om
terug op pad te gaan. De adrenaline stroomt door de aderen, mijn allereerste
beklimming van een col. In de aanloop er naartoe houd ik bewust een klein
verzet aan. Onderweg aan de één of andere houthandel worden er auto’s
gewogen. Aha, eindelijk een kans om te weten hoeveel mijn fiets en bagage
wegen. Zestig kilo beweert de man achter de computer. Samen met mijn 80 kilo
vlees, droog aan de haak, maakt dat dus 140 kilo om naar boven te sleuren,
slik… Een
laatste bord duidt de klim aan, we gaan naar 1760
meter. Gemiddelde stijgingspercentage
9 procent. Totale lengte bedraagt iets van een 23 kilometer.
De
aanloop is goed te doen, ik begin me zelfs af te vragen of dit het nu is.
Echt romantisch wordt het als het geluid van klaterende bergriviertjes en
het gerinkel van koebellen me vergezellen. Kan het typischer? Juist als ik
een deuntje wil beginnen te fluiten gaat het plots wel erg steil naar
omhoog. Bovendien rijd ik een wolk binnen, je ziet misschien 10
meter ver. Ik schakel kleiner, kleiner
en nog eens kleiner, tot het niet meer kleiner kan. De ademhaling wordt
zwaar en onregelmatig, ik vervloek alle tabak die ik ooit mijn longen heb
ingejaagd. Soms lijkt het of de weg wat verder vlakker wordt. Lijkt, want de
mist verhult gewoon de volgende bocht en met elke bocht gaat het weer enkele
meters naar omhoog. Een bordje langs de weg geeft aan dat in de volgende
kilometer 130 meter hoogteverschil moet overwonnen worden. Alles begint nu
pijn te doen, vooral mijn voeten en het verbindingsstuk tussen hoofd en rug.
Mijn stuur staat te laag verdorie, ik wou ook per sé een sportieve houding
op de fiets. Mijn voeten worden gemarteld door de nieuwe zool die ik
vanochtend in de schoenen heb gestoken. Lange lokken haar hangen in
plakkerige slierten op het aangezicht. Ik frunnik voor de twintigste keer
aan mijn versnellingen, tegen beter weten in, want het kan niet meer
kleiner.
Dan maar recht op de trappers, op een gevaarte van 60kg, zwalpend van links
naar rechts over de weg. Maar afstappen, geen denken aan. Ik moet en zal
boven geraken zonder voet aan de grond te zetten. Soms stoot ik een bizarre
kreet uit, dan verzamel ik al mijn krachten en geef nog eens een stevige
snok aan het stuur. ‘Nie mè maai hey Leo, nie mè maai’ komt er uit het
diepst van mijn gedrochten naar boven gebruld. Na verloop van tijd beland je
wel in een zeker ritme, maar het blijft afzien en flirten met de pijngrens.
Het zweet gutst uit alle lichaamsporiën. Korsten zout zetten zich af boven
mijn wenkbrauwen en slapen. Op een erg steil stuk, stijgingspercentage van
15 procent, laat ik ‘my kingdom for a horse’ door het bergdal galmen. Gek
genoeg staat er luttele meters verder inderdaad een paard dwars over de weg.
Een prachtexemplaar, kracht uitstralend, zwaar gebouwd.
Het equivalent uit de Pyreneeën van ons Brabant trekpaard. Voor ’t eerst
tijdens de klim kan er een lachje af. Ik bedenk wel dat als ik tijdens deze
reis drie wensen mag doen, de eerste alvast mooi om zeep is geholpen. Wat
opvalt in de Bergen, de stilte, ik hoor alleen mijn eigen zware ademhaling.
Ik probeer kracht te putten uit mijn fantasie, de stem van de
radiocommentator ‘en jawel wat een prestatie van Marckelbach, hij ziet af
maar rijdt wel alles en iedereen in de vernieling, krijgen we dan toch 30
jaar na Lucien Van Impe nog eens een
Belgische Tourwinnaar. Het ziet er alleszins naar uit! Maar dan duikt er uit
de achtergrond een wielertoerist op. Tijdens het passeren mompelt hij iets
als ‘fort, très fort’. Daar ben ik vet mee, dag tourzege… Het blijft maar
omhoog gaan, houd dit ooit op? Even krijg ik het gezelschap van een grote
roofvogel. Ik heb de fut niet om op te richten en het beest wat beter te
bekijken. Vast één van die vale gieren, flitst het door mijn hoofd, die
denkt zeker dat mijn einde nabij is. Ik blijf zwoegen en worstelen met de
pedalen. Straks een hotel, een douche, een warme maaltijd. Daar denk ik
voortdurend aan. De gids die ik vanochtend geraadpleegd heb vertelt dat het
een zware klim is, maar dat het de moeite loont. Frankrijk ligt letterlijk
aan je voeten, het ding belooft een adembenemend uitzicht. De vegetatie
wordt schaarser, de stilte drukkender, de kale rotsen talrijker.
Een wegwijzer verteld dat het skioord Pierre Saint Martin bereikt is.
Halleluja, ik ben er! Van het beloofde uitzicht geen spoor, enkel een
mistige wolk. Wel vreemd dat je uiteindelijk door een wolk kan uitfietsen.
Op de top is het terug helder. Het skioord Pierre Saint Martin staat vol
met bungalows, chalets en hotels. Maar alle luiken zijn naar beneden. Er is
niets open, dit kan toch niet waar zijn kreun ik. En het is waar, enkele
werkmannen zijn nog met zware machines in de weer. Alles toe zegt er eentje,
hij is ingeduffeld in een bodywarmer, sjaal en muts diep over de oren
getrokken. Tja, dat wordt slapen in open lucht lacht hij. De laatste
werklieden stappen in een busje en rijden terug naar het dal. De zon zingt
enkele tonen lager, de duisternis komt opzetten. Het dikke wolkenpak aan
mijn voeten wordt omzoomd door een rode schijn, indrukwekkend. Maar goed, ik
sta daar mooi in mijn korte broek, stilletjes onderkoeld aan’t raken. Er zit
niets anders op dan de af te dalen richting Spanje, in het donker. Wat mijn
mooiste en steilste en snelste afdaling ooit moest worden is nu een rondje
remmen knijpen. Want al vlug draperen de wolk en het duister hun sluiers
rond me. Een frisse bries laat de fiets vervaarlijk van links naar rechts
hellen. Eventjes laait de kiem van de hoop terug op. Een chalet, met een
bestelwagen ervoor, er brandt ligt. Even kloppen op het raampje, een brits
koppel op jaren toert met de van door Zuid-Europa. Hmmm, het is min vijf
buiten, weet de man. Kom even binnen, ik krijg een mok hete koffie en dat
doet verschrikkelijk deugd. Een blijvenslaapaanbod komt er niet. Dus de
tocht door het donker gaat verder, mijn Petzlhoofdlamp en fietslicht
bewijzen hun nut. Focus op de witte lijnen. Maar hé wat is dat, de namen van
Contador, Iban Mayo en Sastre glijden onder me door. Potvervélo, die
EPOslurpers uit de Tour zijn op hun lichtgewicht carbonfietsjes langs de
makkelijke kant omhoog gereden. Ik blijf mijn remblokjes martelen, want hier
uit de bocht gaan is gewoon geen optie. In de mist en de donker, geen kat
die me zou vinden. Tegen de ochtend zou ik zwaar onderkoeld zijn, bovendien
zitten we op de grens met het natuurpark waar nog beren zouden huizen! Plots
klinkt er vanuit het duister een gehuil en geblaf. Voor het eerste geef ik
mijn rijwiel de vrije loop en trap nog bij op het grootste verzet. Weg hier,
in de eerstvolgende bocht loopt het net niet mis. Ik kom tot stilstand
zonder het evenwicht te verliezen, maar stoot wel op een groot gevaarte.
Shit, hier staat een koe of één van die paarden te slapen. Zonder erg,
we hervatten de weg. Rasmussen, Vino
staat er gekalkt, wordt dit ook mijn zwanenzang? Nog enkele kilometers steil
dalen en dan komt er een knik, het gaat nog goed naar beneden, maar bijlange
na niet zo fel. Kilometers verder ligt het eerste Spaanse stadje Isaba. Niks
triomfantelijke intocht, letterlijk als een dief in de nacht manoeuvreer ik
mijn tweewieler door de smalle straatjes. Restaurant-Pension lees ik op één
van de huizen. Het is tegen 23u als ik in korte broek en lichtjes onderkoeld
de gelagzaal binnenstap. De warmte slaat me tegemoet. De weinige bezoekers
van het staminee trekken toch wat verwonderd een wenkbrauw naar omhoog. Na
een stevige maaltijd overgoten met de nodige wijn, krijg ik van de patron
nog enkele van zijn zelfgemaakte likeurtjes. Krijg je lekker warm van zegt
hij.
Uiteindelijk kom je wel sterker uit zo een klim. De volgende dagen gaat het
ook nog goed op en af. Maar je verteerd het veel makkelijker en zit ook veel
vlugger in een goed ritme. Zo’n beklimming: een noodzakelijke stap in je
groeiproces als wereldfietser.
terug
|